Hoe ze zo ver van de rand was gedwaald wist ze niet goed. Els had de put ook lang niet opgemerkt, terwijl ze zachtjes naar beneden gleed had ze nog lang net over de rand kunnen kijken. Echt druk had ze zich er niet om gemaakt. Het kostte haar misschien soms wat meer energie en moeite om mensen te verstaan, of mee te doen met de rest. Pas toen het te laat was herkende ze de put als zodanig.
De bodem is gemaakt van grijze en grauwe stenen en hij heeft 1 steile helling naar boven. Deze helling is glad en bedekt met een laagje zand. Half november en de hele maand december had Els er over gedaan om de put in te glijden en toen januari kwam gebeurde er iets waardoor ze ineens haar evenwicht verloor en het laatste eindje naar beneden viel. De bodem was hard en de val had ervoor gezorgd dat verschillende wonden die ze niet meer dacht te hebben open waren gegaan. De eerste dagen bleef Els liggen om te huilen, zo was ze geschrokken.
Ze kende deze put wel, er hingen nog posters van jaren terug. Els was best bang voor de put, het klonk er hol en de akoestiek was er vreemd. Al haar gelach en vrolijke gedachten werden opgeslokt door de stenen muren, alleen de negatieve dingen werden weerkaatst en galmden door de put, steeds luider en luider.
Els wilde slapen, misschien werd ze dan gewoon op een ochtend weer boven wakker. Het duurde niet lang voor de Vriend van Els de put vond. Elke dag stuurde hij haar berichtjes op haar telefoon en pakketjes met knuffels en kusjes. Toch pakte ze die niet altijd uit. Hij stuurde ook elke dag eten naar beneden. In de put groeit bijna niets en zonder haar vriend zou Els dus ook haast niet eten.
“Els, als je niet begint met klimmen, dan kom je nooit boven,” zei haar Vriend terwijl hij op zijn buik aan de rand van de put lag en met zijn hand naar beneden reikte, maar ze was nog te ver. Els was niet lui, zo was ze niet opgevoed. Ze krabbelde overeind en zette een voet op de steile, glibberige helling. Dat was zwaar werk, het kostte haar erg veel energie.
Zo nu en dan belden er mensen. Als Els op dat moment precies op het goede deel van de helling ging staan, dan klonk de put niet zo hol en was het net of er niets aan de hand was. Haar telefoon werkte echter niet altijd even goed. Soms klonken de negatieve dingen harder en overstemden ze positief geluid, waar ze toch al moeite voor moest doen om te kunnen verstaan.
Op de momenten dat Els klom had ze moeite met de telefoon. “Nu even niet, kunnen ze dan niet zien dat ik heel hard bezig ben en hoe moeilijk dat is?” snauwde ze dan door de telefoon en naar haar Vriend. Hij wees haar er dan fijntjes op dat ze dat inderdaad niet konden zien.
De eerste weken klom Els niet snel, ze vond het verschrikkelijk frustrerend. Soms gleed ze ook net zo hard weer naar beneden; vooral als ze meer bezig was met haar telefoon en de mensen rond haar put. “Het is lang geleden dat de put zo diep was,” zei haar Vriend stellig en hij had gelijk.
De meeste mensen wisten niet dat hij er was; ze had het maar aan een klein groepje verteld. Sommigen kwamen langs om even te praten. Er was er eentje die elke dag wel kwam om te praten over van alles, hij stuurde berichtjes op haar telefoon en pakketjes met knuffels en kusjes. Hij liet ook stapjes zien op de helling en probeerde zo nu en dan naar haar te reiken met zijn hand, maar hij was steeds nog iets te ver. Andere mensen kwamen ook. Dat was overigens niet altijd fijn, soms snapte ze het niet goed. Ze wezen dan het pad aan naar de rand, dat makkelijk zichtbaar was van boven. Maar Els zag het niet van beneden af en ploeterde zelf verder. “Kijk toch omhoog, daar schijnt de zon!” riepen ze dan naar beneden.
De zon scheen niet vaak in de put, maar een paar momenten per dag. Vaak was Els te druk met klimmen, waardoor ze alleen maar naar de stenen van de helling kon kijken en soms was het gewoon te bewolkt. Ze kon wel uitleggen hoe de put eruit zag en hoe ze zich daarin voelde, maar ze had meer moeite om uit te leggen dat ze zichzelf er niet zomaar uit kon wensen. Els was misschien wel een heks, maar ze kon niet toveren.
Er waren ook mensen die met een grote boog om haar put heenliepen. Dat deed zeer, maar ze kon die mensen niet opzoeken zolang ze de rand nog niet had bereikt. “Ik ben zo moe, ik kan niet meer klimmen,” huilde ze naar haar Vriend. Els huilde vaak. Hij bracht Els pillen, gemaakt van planten. Eerst gaven ze alleen maar buikpijn, maar langzamerhand begon ze zich ook lichter te voelen. Het maakte het klimmen makkelijker en soms droomde Els zelfs weer over boven.
Inmiddels kan Els al weer bijna over de rand van de put kijken en houdt ze soms zelfs wat energie over. Ze klampt zich vast aan de helling, een beetje bang om weer uit te glijden maar eigenlijk heeft ze het idee dat ze redelijk stevig staat op het moment. Het is niet ver meer, nog maar een paar meter en hoewel het niet snel gaat, gaat het wel vooruit. Heb gewoon nog heel even geduld met Els, dan komt ze vanzelf wel weer boven.
complacent
amused